Feeds:
Berichten
Reacties

Nee, er is aan mij geen groot voetbaltalent verloren gegaan. Ik was wel fanatiek, maar ik had echt geen talent. Ik kon geen bal 20 keer hoog houden, ik had geen vlammende passeerbeweging. Maar ik was wel snel, dat wel. En was daarom de schrik van menig rechtsback, die ik met mijn snelheid als linksbuiten m’n hielen liet zien om vervolgens een voorzet te geven. Die er af en toe ook nog eens per ongeluk in waaide. Ook dat. Maar verder was ik een zeer middelmatige voetballer. En áls ik dan een keer een goal maakte, was dat er een die iederéén gemaakt zou hebben.

Het clubhuis van OSC aan de Vlamenburg
in Den Haag/Mariahoeve

Toen wij in 1966 verhuisden naar de Haagse nieuwbouwwijk Mariahoeve was daar voetbalvereniging OSC. Van oorsprong was dat een Voorburgse club, een fusieclub voortgekomen uit de clubs Oosterboys en S.V.T. Zo ontstond OSC, Oosterboys SVT Combinatie. Omdat de nieuwbouwwijk Mariahoeve sociaal gezien dringend behoefte had aan een voetbalclub en OSC in Voorburg min of meer overbodig was, zorgde de gemeente Den Haag voor twee velden aan de Vlamenburg, temidden van alle nieuwbouwflats. En daar nestelde OSC zich en werd ik in 1967 als 15-jarig jongetje lid van OSC: gele shirts, blauwe broeken en blauwe kousen. Ik vond het geweldig! De héle week leefde ik toe naar die ene competitiewedstrijd op zaterdag. Ik zat op de MULO en in mijn klas zat ook ene Dickie. Een jongen met een Molukse achtergrond. Hij speelde in hetzelfde team als ik en iedere dag hadden we het op school over de wedstrijd van de zaterdag die komen ging. Mán, wat waren we fanatiek. Maar eenmaal op het veld viel het allemaal toch nog wel wat tegen. Want we waren gewoon niet zulke goeie voetballers. Ik heb er een fijne tijd gehad, daar bij OSC. Van ons huis was het 10 minuten op de fiets. Ik woonde op de Saffierhorst. De Vlamenburg was niet echt ver weg.

De clubvlag van OSC

In 1969 verhuisden wij naar Wassenaar. Voetbal had mij ondanks een gebrek aan talent te pakken en dus meldde ik mij aan bij Blauw Zwart, de destijds trotse hoofdklasser uit Wassenaar. Ook daar was ik een leuke voetballer, maar niet meer dan dat. Ik schopte het geloof ik tot de B2. Ik weet er niet zoveel meer van. Wel dat wij mijn laatste wedstrijd, vlak voordat wij in 1973 verhuisden naar Mook bij Nijmegen, in een thuiswedstrijd met Blauw Zwart wonnen. Van wie weet ik niet meer, maar we wonnen met 2-0. En ik maakte ze allebei! Twee van die lullige intikkertjes. Maar ja, ook dát is en kwaliteit, toch? Apetrots was ik, want mijn vader was erbij.

Na mijn verhuizing naar Mook werd ik lid van Eendracht, de lokale voetbalclub. Wat een boerenkoolvelden waren dat, zeg. Ik heb daar nooit een fijn gevoel bij gehad en haakte na wat proeftrainingen al snel af.
Later bleek dat ik toch meer voor duursporten in de wieg ben gelegd. Ik heb tennis gespeeld, heb gevolleybald, maar hardlopen, schaatsen en fietsen waren toch veruit favoriet. Laat mij maar een hele of halve marathon lopen. Of een middag schaatsen op de Loosdrechtse Plassen. Of tegen de 100 km fietsen. Daar doe je mij meer plezier mee dan een passeerbeweging tegenover een rechtsback, waarvan ik bij voorbaat weet dat-ie toch op niets uitloopt. Ik heb nog wel eens een wedstrijdje in een journalistenelftal gespeeld. Tegen Helmond Sport afgedroogd worden met 11-0. Of tegen de technische staf van PSV alle hoeken van het veld zien. Los van de gezelligheid word je daar ook niet vrolijk van.

Met journalistenteam tegen technische staf PSV

Misschien heeft het feit dat ik als voetballer nooit kon doorbreken er wel toe geleid dat ik later voetbalverslaggever ben geworden. Ik heb het allemaal zo van dichtbij meegemaakt, dat ik het precies voelde toen die linksbuiten met een snelle passeerbeweging de rechtsback liet staan en uit een voorzet de winnende goal liet maken. Waarmee ik bedoel: ergens heeft het zo moeten zijn. Mijn talenten lagen blijkbaar op een ander vlak. 😉

In 1992 en 1993 liep ik, in Eindhoven, twee keer de hele marathon. Op dinsdag 10 augustus 2021 reed ik op de racefiets de Col de L’Iseran in de Franse Alpen omhoog: van 1500 naar ruim 2770 meter. Wát een tocht. Wát een afzien! Het voelde als mijn derde marathon.

Na 3,5 uur klimmen de top van de Col de L’Iseran bereikt!

De nacht van maandag op dinsdag was een onrustige nacht. Korte slaapjes afgewisseld met lang wakker liggen. De Col de L’Iseran: wat als ik het niet zou kunnen? Wat als ik niet de benen had om die klus te kunnen klaren? Wat als ik halverwege eigenlijk beter om zou kunnen keren en terug naar de auto rijden? Ik had de dag ervoor de Montée de Tignes gedaan: de laatste 10 km van de 9e Tour-etappe van dit jaar. Ook strak omhoog met finish op 2100 meter. En dat voelde goed en gaf dus hoop. Of toch niet?
Uiteindelijk viel ik weer in slaap en werd tegen acht uur wakker. Douchen, ontbijten, weer- en windbericht op m’n iPhone checken en alles klaarmaken voor de grote tocht. De benen voelden goed, maar de vraag was of dat ook na 10 kilometer nog zo was. Er zat wat onzekerheid in m’n hoofd.

Af en toe een foto- en drinkmomentje onderweg

Het ontbijt was in mijn B&B prima geregeld: verse croissants, prima jam, iets tè lauwe koffie, maar goed genoeg om een kleine bodem te leggen voor de beklimming van de Col de L’Iseran die dag. Vanaf mijn B&B, gelegen in Tignes Le Brévières, was de top van de Col de L’Iseran zo’n 25 kilometer. Start op 1500 meter, einde op 2770 meter. Maar Claude, de maître van het B&B, had mij al gezegd beter met de auto naar Les Dailles te rijden, tot vlak vóór Val d’Isere. De drie tunnels tussen Les Brévières en Les Dailles waren te gevaarlijk voor fietsers. Bovendien werd er gewerkt aan de weg. Dus: beter starten op de camper-parkeerplaats in Les Dailles, precies 18 km tot de top van de Col de L’Iseran. Een advies dat ik ter harte heb genomen.

De eerste zes, zeven kilometer waren redelijk vals plat

De zon kwam weldadig achter de bergtoppen  tevoorschijn, toen ik net na half tien mijn Audi op de camper-parkeerplaats in Les Dailles stuurde. Ik was niet de enige die vanaf die plek richting  de Col de L’Iseran ging. Dat schept meteen een band, maar ik was wel alleen toen ik na een kwartiertje vertrok. De grootste fout die ik zou kunnen maken was met iemand mee op rijden. Ik zou en moest m’n eigen tempo rijden. In iemands wiel gaan zitten zou een grote misrekening kunnen betekenen.

De eerste zes, zeven kilometer waren redelijk vlak tot venijnig oplopend (foto boven). Het was in elk geval een stuk waarop je lekker in je ritme kon komen. Lekker een beetje rondkijken naar het steeds ruiger wordende landschap. Het voelde goed en vond dit een prima begin. In de Alpen staat het voorblad steevast op het binnenblad: ik had ook nu genoeg ruimte om lekker mee te draaien. Onderweg, bij 13 km even een korte stop gemaakt voor een foto. Daarna door tot ik een parkeerplaats zag. Ik hoopte dat ze daar een ‘snelle’ koffie zouden hebben. Maar dat was ijdele hoop.

Al snel op behoorlijke hoogte

Het was het einde van die lange aanloop en het begin van de eerste haarspeldbochten. Direct na de Pont du Saint Charles (bruggetje over de Isère) ging het behoorlijk omhoog, van bocht naar bocht, van kilometer naar kilometer (foto links). Mijn hartslag knalde meteen omhoog, maar ik had mij van te voren voorgenomen die zoveel mogelijk onder controle te houden: niet boven de 153. Dat was ook het advies van mijn cardioloog, bij wie ik sinds een jaar of twee onder behandeling ben: je mag hem best flink belasten, maar jaag ‘m nou niet over de kling. En als dat wel dreigde te gebeuren maakte ik een korte stop: even wat foto’s maken van de fabelachtige omgeving, even rustig wat drinken, hartslag terug naar 130 en dan weer verder.

Oranje shirt kon rekenen op veel bijval!

Op zich ging dat allemaal prima. Ik had een oranje wielershirt aan en dat leverde her en der wel wat aanmoedigingen op in de trand van ‘allez, le Hollandais’ of zoiets. Hoe hoger ik kwam, hoe minder ik het hoorde. Ik merkte ook gaandeweg dat hoe hoger ik kwam er steeds minder zuurstof in de lucht zat. En dat was ook aan de benen te voelen. De voorbereiding op deze tocht was tenslotte grotendeels in het water gevallen. In juni had ik last van Ischias, een beknelde zenuw in de onderrug. Bovendien scheurde ik half juni tijdens een potje strandvoetbal met m’n kleinzoon in Spanje een pees in m’n rechterschouder. (inderdaad ‘hoe dan?’). Tel daarbij het mindere weer in juni en juli en de voorbereiding was gewoon waardeloos.

Na bijna 12 kilometer klimmen…

Dus het was te verwachten dat het moeilijk zou worden, de laatste drie, vier kilometer gingen dan ook niet van harte, maar op karakter. Het kostte moeite, ik had verzuurde benen, maar na bijna 3,5 uur klimmen was ik boven. Langs de Leisiere-skilift, die ik swinters altijd neem naar de gletsjer, de laatste twee drie bochten, het oude kerkje op de top al in zicht en de borden met daarop de wegbewijzering Col de L’Iseran 2770 meter. De tijd en het gemiddelde zijn voor mij volstrekt onbelangrijk. Het feit dat ik het gered heb, in m’n eentje, is voor mij een persoonlijke overwinning. Ik daag mezelf graag zo af en toe uit met een mooie uitdaging en ben best trots dat het allemaal gelukt is. Dat was in 1992 en 1993 met die twee marathons, dat is nu in 2021 met de beklimming van de Col de L’Iseran. Volgend jaar wellicht weer een andere berg. Maar dan graag een iets betere voorbereiding!

Vlak voor de top van de Col de L’Iseran fietste ik langs de Leisiere-skilift, die mij swinters altijd naar de gletsjer van Val d’Isere brengt!

Evert ten Napel

Vanavond doet collega Evert ten Napel zijn laatste commentaar bij een voetbalwedstrijd: Ajax-PSV in de Amsterdam Arena met als inzet de Johan Cruyff Schaal. Evert was een collega, die nèt een generatie voor mij zat: hij is acht jaar ouder en samen met Theo Reitsma, Eddy Poelman en Hugo Walker was hij jarenlang de stem van Studio Sport. Toen was er nog geen ESPN, geen RTL, geen SBS en geen Veronica. Toen was Studio Sport hèt programma, waar je met het bord op schoot nar het Eredivisie-voetbal keek. Evert stamt nog uit de tijd, dat een Europese wedstrijd alleen op tv kwam als het stadion uitverkocht was.

De NOS-ploeg die naar het WK in Italie in 1990 ging. Evert ten Napel rechts boven op de foto, ik onder midden op het bankje

Het pad van Evert en mij hebben elkaar regelmatig gekruist. Evert was ook afkomstig van Langs de Lijn, waar hij als TROS-medewerker jarenlang wedstrijden versloeg. Mijn komst bij Langs de Lijn liep ongeveer parallel met Evert’s vertrek naar Studio Sport. Niettemin werkten we veel samen. Niet in de laatste plaats omdat we elkaar vaak bij competitiewedstrijden tegenkwamen: Evert voor de tv, ik voor de radio.
Hij begroette mij steevast met een wat norsig “Hé, Jansen!” . Dat was typisch Evert, een wat norsige Drent. Weet niet of dat alleen bij mij was. Evert en ik werkten samen. Dat was het. Geloof niet wat we ooit gezellig ergens een biertje hebben gedronken.

Alhoewel, misschien toch, op het WK 1990 in Italie. Evert en ik hadden allebei Milaan als uitvalsbasis. Evert had een huurauto van Studio Sport, een fraaie Fiat Croma. En we hadden ongeveer hetzelfde rooster: de groep met Brazilië, Schotland, Zweden en Costa Rica die in Genua speeldem en de groep met Belgie, Korea, Spanje en Uruguay met wedstrijden in Verona. En naar die wedstrijden reed ik dan samen met Evert naar toe. Evert deed het tv-commentaar, ik het commentaar voor de radio. We zullen onderweg best wel de nodige social talk gehad hebben. Ik kan me daar echter weinig van herinneren.

Verder heb ik Evert meegemaakt als ijshockeyverslaggever tijdens de Olympische Winterspelen in Calgary in 1988. Ik was presentator van de nachtuitzendingen op Radio 1 (toen nog Hilversum 1) en Evert verzorgde de flitsen van allerlei spannende ijshockeyduels in Calgary. En ook in mijn NCRV-tijd was Evert op zeker een regelmatige verslaggever in onze programma’s. Ook ben ik Evert nog eens tegengekomen in het Oostenrijkse Flachau, een skioord waar Evert’s dochter Carry skilerares was. Puur toeval: mijn eigen dochter Rayke was dat een paar jaar later daar ook!

Vanavond doet Evert dus zijn laatste wedstrijdcommentaar op televisie: Ajax-PSV om de Johan Cruyffschaal. Evert is 77 jaar en vind zelf dat het mooi geweest is. Dat besluit heb ik drie jaar geleden ook genomen: je kunt dat beter zelf doen, dan dat anderen je straks gaan zeggen dat het mooi geweest is. Evert: ga lekker genieten van je kinderen en kleinkinderen, ga lekker reizen, ga toeren op je Harley Davidson. Doe van alles wat je nog wilt voordat het te laat is. Dat doe ik ook en ik kan er best aan wennen, aan dit leven!

Ik ga vanavond kijken en vooral luisteren: ik denk dat er tijdens Evert’s laatste wedstrijd op televisie nog wel wat Evert-ten-Napel-klassiekers voorbij zullen komen.

Afgelopen weekend zag ik in het NOS-programma Andere Tijden Sport mooie beelden van Radio Tour de France, de zomerse versie van Langs de Lijn. Ik zag en hoorde al die (oud)collega’s: Theo Koomen, Fred Racké, Hennie Rückert, Leo Driessen, Sjors Fröhlich, Gio Lippens….en realiseerde me weer, dat ik ook ooit, bijna 30 jaar geleden, door de toenmalige NOS-radiosportbaas Ferry de Groot ben gevraagd om de Tour de France als verslaggever op de motor te doen. En ik zei na ampel beraad ‘nee’….!

Interview met Peter Winnen bij de Profronde van Valkenswaard in 1982

Ik weet nog precies wanneer het was. In december 1991 vroeg De Groot mij of ik Jorrit Jorritsma, de toenmalig schaats- en wielerverslaggever kon vervangen op de Olympische Winterspelen van Albertville in februari 1992. Er was een akkefietje tussen Jorritsma en de NOS –geen idee waar het over ging, maar het was blijkbaar nogal serieus- dat het elke verdere samenwerking blokkeerde. Als voorbereiding op de Winterspelen in Albertville, waar ik de openingsceremonie en het schaatsen zou gaan verslaan, mocht ik een aantal weekenden in januari naar Wereldbekerwedstrijden en trainingskampen in Inzell en Davos. Om de mensen van de schaatsploegen te leren kennen, voor zover ik die van interviews als presentator van NCRV zaterdagsport en NOS Langs de Lijn in die tijd al niet kende.

Na die Winterspelen moest ik opnieuw bij De Groot komen. “Jorritsma gaat ook niet voor de NOS naar de Tour de France. Is dat iets voor jou? Wil jij dat niet doen?”

“Ici Radio Tour de France…”

Nu moet ik toegeven dat ik in die tijd niet zoveel met wielrennen had. Ik was zelf fanatiek hardloper en was daar meer mee bezig dan met wielrennen. In oktober 1992 zou ik m’n eerste marathon gaan lopen! Natuurlijk, vanuit mijn vak had ik belangstelling voor wielrennen, maar de Tour de France als verslaggever doen in een periode dat ik juist altijd met vakantie ging? Juli was voor mij als voetbalcommentator van Langs de Lijn een maand zonder voetbal, een ideale maand voor mij om op vakantie te gaan. Naar de Tour gaan betekende dat ik in juli de hele maand weg zou zijn en aansluitend ook nog eens vier weken naar de Olympische Zomerspelen in Barcelona. Want dat stond ook al vast. Daar zou ik het tennistoernooi gaan verslaan en algemene nieuws-onderwerpen gaan maken. Twéé maanden aaneengesloten van huis! Dát kreeg ik privé niet geregeld. Van thuis uit ben ik altijd optimaal ondersteund als het om mijn werk voor de radio ging. Maar twee maanden aaneengesloten weg van thuis! Met een toen ook werkende echtgenote. En twee kinderen van 9 en 4, die zes weken zomervakantie hadden. En opa’s en oma’s die resp. in Berg en Dal en Oploo woonden. En wij in Baarn. Niet naast de deur dus. Dat kregen we echt niet voor mekaar. En dus zei ik na ampel beraad met het thuisfront ‘nee’ tegen het aanbod van Ferry de Groot. Ik weet het niet meer zeker, maar volgens mij is Sjors Frohlich het vervolgens gaan doen. En die deed het acht jaar lang en is nu burgemeester! 😉

Nu zelf fanatiek aan het fietsen!

Nu ik door een waardeloze rechterknie al een tijd niet meer kan hardlopen en sinds een paar jaar aan het racefietsen ben geslagen, komt dit verhaal nog wel eens naar boven. Af en toe als we met de fietsvriendengroep weg zijn. En afgelopen weekend weer, toen ik zat te kijken naar die leuke, memorabele aflevering van Andere Tijden Sport. Of ik er spijt van heb? Ja, natúúrlijk heb ik daar spijt van! Achteraf bezien had ik dat allemaal best mee willen maken. De winst in de derde etappe van Pau naar Bordeaux van Rob Harmelink, de zege van Jean Paul van Poppel in de 10e etappe van Luxemburg naar Straatsburg en de winst in de ploegentijdrit van de Panasonic-ploeg. En de uiteindelijke winst van Miguel Indurain. En de zevende plaats voor Erik Breukink. En misschien had ik het in de jaren daarná nog wel een paar keer gedaan. Maar moet ook zeggen dat ik dat besluit om het niet te doen destijds weloverwogen heb genomen. En dáár heb ik dan weer géén spijt van. Het waren toen tenslotte ook ‘Andere Tijden Sport’!

“Opa zijn is het mooiste dat er is!” Het werd mij van verschillende kanten verteld toen Julian ‘onderweg was’. Toen ik hem voor het eerst in mijn armen vasthield op 29 augustus 2015 had ik dat gevoel absoluut nog niet. Inmiddels weet ik wel beter. Van niets word ik gelukkiger dan van die kleine man; we zijn gelukkig heel veel samen, doen veel samen en we lijken ook best op elkaar.

Met Julian, enkele uren na zijn geboorte

Hij heeft dat af-en-toe felle, fanatieke, soms onredelijke en eigenwijze van z’n opa. Dat altijd willen winnen. Soms lijkt Julian wel een echte Jansen, terwijl hij toch echt ‘Santegoeds’ heet. Het lijkt er wel eens op of ik veel meer van Julian kan genieten dan vroeger van mijn eigen kinderen op die leeftijd. Maar dat is natuurlijk niet waar en het is ook geen eerlijke vergelijking. Nu ben ik opa, pensionado, heb alle tijd en sta heel anders in het leven dan pakweg 30, 35 jaar geleden; toen had ik veel oog voor m’n carrière als sportjournalist bij de NCRV en NOS, was voor m’n werk best veel van huis en had natuurlijk ook nog de verantwoordelijkheden thuis voor het gezin met eigen-huis-en-hypotheek.
Ik heb mij van de week weer verbaasd wat het met mij doet, toen Julian dinsdagochtend op de OK van het Catharina Ziekenhuis lag. Ik had daardoor al een slechte nacht met weinig slaap achter de rug en liep de hele ochtend doelloos wat in huis te ‘dozen’. En was blij toen dochter Rayke eind van de ochtend belde dat-ie weer bij was en ik naar het ziekenhuis mocht komen.

Julian bijna vijf jaar later: we lijken wel op elkaar! Toch?

Tja, kleinkinderen. En eind 2020 –medio december- komt er dus eentje bij. Want zoon Wouter en vriendin Sanne zijn in blijde verwachting. Benieuwd wat het gaat worden! Weer een kleinzoon? Of de eerste kleindochter? Mijn vader –toch enigszins van de oude stempel- vond het destijds wel belangrijk dat er een stamhouder zou komen. Voor hem was het wel een dingetje, dat het geslacht Jansen in zijn lijn niet zou uitsterven. Hij had geluk: met de komst van Wouter in 1983 werd zijn wens vervuld. Ik vind het eigenlijk nauwelijks belangrijk. Met alle echtscheidingen, daaruit voortvloeiende nieuwe (LAT)-relaties, alleenstaanden, samengestelde gezinnen, donorkinderen, draagmoederkinderen, adoptiekinderen en huwelijken tussen mannen en huwelijken tussen vrouwen kun je toch al geen fatsoenlijke stamboom meer maken. Ik heb het Julian laatst met een tekening en lijntjes proberen uit te leggen. Maar ik liep al snel vast in gestrande relaties.

Weer een kleinzoon? Of de eerste kleindochter?

Over stamboom gesproken: ik heb de stamboom aan moeders en vaders kant wel eens uitgeplozen. En kwam daarbij tot twee opmerkelijke voetbalverbindingen. Via mijn opa Willem Driessen, de vader van mijn moeder, ben ik blijkbaar verre familie van oud-PSV-voetballer Stan Valckx, de huidige technisch manager van VVV. Onze stamboom komt namelijk samen in Arcen en Well in Noord-Limburg: rond het jaar 1730 zijn er verbanden tussen de families Driessen, Schreven en Valckx in Arcen en Well te zien. En de moeder van mijn vader komt oorspronkelijk uit Breda: ze heet Catharina Verlegh (geb. 1886) en is een volle nicht van oud-NAC-voetballer en international Antoon ‘Rat’ Verlegh (geb. 1896), naar wie het stadion van NAC Breda is genoemd.

Maar: stamboom, stamhouder: ik hecht er niet zoveel waarde aan: een gezond kind met kansen in onze toch al turbulente maatschappij vind ik veel belangrijker. Voorlopig zijn kleinkinderen mijn grote geluk. Ik zie het als enorme rijkdom en kan niet wachten tot nummer twee er is!

Net als de meesten van jullie ben ik vandaag ook de vierde week van de ‘intelligente lockdown’ in gegaan. Het klinkt misschien stom, maar voor mij is er eigenlijk niet zo heel veel veranderd. Natuurlijk mis ik mijn sociale contacten, de vrijdagmiddag-borrel, contacten in de buurt, lekker met de fietsvrienden op toer, uit eten, dat soort dingen. Ik werkte natuurlijk al veel vanuit huis: dat is nu wat meer geworden. Interviewen doe ik niet meer fysiek, maar veel telefonisch. Of via Facetime of Skype. Dus ècht fysieke afspraken heb ik vrijwel niet meer.
De afgelopen twee weken heb ik twee video-interviews gedaan, met zo’n lange microfoonhengel: allemaal op afstand dus. Ik probeer verder ook zoveel mogelijk thuis te blijven. Ik doe twee, drie keer per week boodschappen, racefiets zoveel mogelijk alleen. Incidenteel met een sportmaatje, maar dan wel met in achtneming van de anderhalve meter. Zo goed als kwaad als dat dan lukt. En ik kan ook altijd op mijn balkon op de rollerbank fietsen (foto)

TV-kijken in z’n favoriete positie…

En ja, ik pas op mijn kleinzoon. Een paar keer per week. Dat klinkt tegenstrijdig bij de opvatting dat kleinkinderen beter even geen fysiek contact met opa’s en oma’s kunnen hebben, maar in ons geval is het even niet anders. Natuurlijk heb ik met mijn dochter en schoonzoon een risicoanalyse gemaakt. Want ik val met mijn 68 jaar in de risicogroep. Maar, los van het corona-virus zagen we elkaar toch al vrijwel iedere dag. Bovendien werken dochter èn schoonzoon beiden in cruciale beroepen. Dus ben ik –ook qua afstand met andere opa en oma’s- simpelweg de enige optie. Ik heb Julian uit proberen te leggen wat corona is: “Een erge griep en je kunt door hoesten en niezen andere mensen ziek maken. Dus we kunnen beter even niet knuffelen en kusjes geven. Kushandjes zijn voor nu ook even goed”.
We wassen wel tig keer per dag onze handen met desinfecterende zeep, in mijn hal staat op een sidetable een fles desinfecterende gel: iedereen die hier binnenkomt, maakt daar eerst z’n handen mee schoon. En ja, opa is wel oud, maar nog niet zó oud, dat er gevaar dreigt.

Fietsen op de rollerbank op het balkon

Je moet het een kind van 4.5 toch een beetje begrijpelijk uitleggen! Maar, Juul snapt het. Zegt hij. Hij heeft het er moeilijk mee dat-ie niet zo vaak kan knuffelen. Het is toch al zo’n knuffelkont. Dus hebben we de ‘beenknuffel’ uitgevonden. Knuffelen kan, maar dan pak je maar mijn been beet! Dat vind-ie fijn.

Verder werk ik veel. Maak momenteel veel verhalen voor het Eindhovens Dagblad, al dan niet corona-relateert. En dat is fijn, want hockeyclub Oranje-Rood bijvoorbeeld, heeft mijn werkzaamheden voor OranjeRoodTV even ‘on hold’ gezet. Geen probleem: ik snap dat. En zo is het ook met een aantal andere klussen, die voorlopig even niet doorgaan. In die zin heb ik de mazzel dat ik met AOW en pensioenuitkering in elk geval mijn vaste lasten kan betalen. Dus, lief hoor, maar over mij hoef je je ècht geen zorgen te maken. Ik ben gezond en probeer dat te blijven. Door goed en gezond te eten, door veel te sporten (drie keer per week de racefiets op), ik slaap goed en heb m’n hygiëne wat aangescherpt. En laat op gezette tijden wat alcohol door het bloed gieren. In de hoop dat ook dát een beetje helpt.

Juul speelt, kleurt, kijkt tv. Ik werk. gaat prima!!

Natuurlijk maak ik mij zorgen! Om mijn kleinkind, kinderen, schoonzoon, schoondochter, broer, zus, andere familie, vrienden, vriendinnen, alle lieve mensen in mijn sociale kring. Maar, we gaan straks zeker dat gezellige drankje op het terras weer drinken. En ja, alle uitgestelde etentjes (sushi!!) gaan we inhalen. Dat beloof ik. Ik vrees alleen dat dat nog wel enige tijd gaat duren. Mijn vakantietripjes naar Alicante en Sitges in april en mei zijn al geannuleerd; ook Ibiza half juni gaat er waarschijnlijk aan. Het zij zo. Ik heb zelfs nu al bedenkingen of mijn geboekte trip naar Los Angeles eind oktober wel kan doorgaan. Ik ben altijd een optimist en denk graag in oplossingen, niet in problemen. Maar iets in mij zegt dat we hier voorlopig nog niet van af zijn.

 

Persconferentie Ajax in hotel Duinoord in 1968
(Foto: Cor Out/ANP)

Ik heb er in mijn blog bij het overlijden van Johan Cruyff in 2016 al eens over geschreven. Mijn eerste persconferentie was in 1968. Ik was 17 jaar en zat op de MULO in Wassenaar en hield mij daar onder meer bezig met de schoolkrant. Ajax zou voorafgaande aan een belangrijke Europa Cup-wedstrijd tegen het Turkse Fenerbahce enkele dagen een trainingskamp beleggen in hotel Duinoord in Wassenaar. En trainen op de velden van Blauw Zwart, waar ik destijds voetbalde. Duinoord lag tussen Wassenaar en het strand de Wassenaarseslag waar ik zomers heel wat uren ben geweest. Maar ín Duinoord was ik nog nooit geweest. Ik meende aanvankelijk dat het om een trainingskamp van het Nederlands elftal ging. Maar het betrof dus Ajax. Via-via kwam ik er achter dat er ook een persconferentie was: dát was een mooi onderwerp voor de schoolkrant, meende ik. In die tijd hoefde je daarvoor nog niet vooraf te accrediteren; je kon er zó binnenlopen. Wat ik op die gedenkwaardige dag in november 1968 dan ook deed. Daar stond ik dan, als verslaggevertje van de schoolkrant van de Wassenaarse Willibrordus MULO. Temidden van bekende sportjournalisten als Kees Jansma en Koen Verhoef. En Jan de Deugd van de Telegraaf. Die stonden allemaal in een grote kring -zie foto- om Ajax-trainer Rinus Michels heen.

De spelers zaten te kaarten maar waren gemakkelijk aanspreekbaar (foto: Cor Out/ANP)

De spelers waren gemakkelijk aanspreekbaar. Ze zaten te kaarten, maar je kon ze van alles vragen. Geen idee meer wat ik toen vroeg. Ik was volgens mij nogal onder de indruk van alles wat ik daar zag en meemaakte. Ik was tenslotte nog nooit op een persconferentie geweest. Al die bekende voetballers, die ik tot op de dag van toen alleen maar op televisie had gezien! En dan ook nog gewoon iets aan Johan Cruyff kunnen vragen! Jammer dat ik er geen foto’s van heb. Bijgaande zwart-wit foto’s heb ik op internet gevonden: meer is er niet te vinden. De schoolkrant van destijds heb ik ook niet meer, want ik heb er destijds wel een verhaaltje over gemaakt. Over mijn eerste persconferentie. Er zouden er later nog zóveel volgen!

Na 52 jaar weer terug in Hotel Duinoord in Wassenaar… (eigen foto)

Dit hele verhaal kwam vanmorgen weer naar boven, nu ik -52 jaar later- dit (carnavals) weekend weer terug ben in Hotel Duinoord. De bedoeling was om deze zondag na het ontbijt lekker een stuk te gaan fietsen in de duinen rondom Wassenaar. Richting Hoek van Holland. Of Zandvoort. Met een beetje tegenwind had ik al rekening gehouden. En met een spatje regen ook. Daar kun je je tegen kleden. Maar de storm, windkracht 9 en bakken regen maken het zelfs gevaarlijk om op de racefiets te stappen. Dus ik zit lekker binnen met een kop koffie deze blog te typen. Over mijn herinneringen aan Hotel Duinoord in Wassenaar.

Fietsen. Ik ben er het laatste jaar verslingerd aan geraakt. En dat terwijl ik in mijn actieve sportjournalistieke carrière helemaal níets om wielrennen gaf. Ferry de Groot, destijds chef-sport van NOS Langs de Lijn, heeft mij wel eens gepolst of ik geen zin had om als verslaggever naar de Tour te gaan. Ik heb vriendelijk voor de eer bedankt. Soms interviewde ik wel eens wielrenners, zoals Hennie Kuiper in het begin van de jaren 80 (foto), toen ik bij Omroep Brabant werkte. Ik had in die tijd zelf ook wel een racefiets. Een mooie witte met van die blauwe letters “Batavus” er op. Jammer dat ik daar geen foto van heb! Maar, het fietsen ging met hangen er wurgen. Hardlopen was veel leuker. Je deed mij een veel groter plezier met een duurloop van 20 kilometer dan met 40 of 50 kilometer fietsen. Totdat een jaar of twee geleden mijn rechterknie wel erg veel sporen van artrose vertoonde en Wart Van Zoest, clubarts van PSV en orthopeed van het Sint Annaziekenhuis, mij adviseerde niet meer te gaan hardlopen. Beter was te gaan zwemmen. Of fietsen. Maar dat voelde als kiezen tussen twee waardeloze alternatieven. Zwemmen vind ik hé-le-maal niks, dus dan maar fietsen. Begin vorig jaar kocht ik mijn Trek, prima tweedehands fietske, waar ik in no-time flink wat ritten op maakte. En ik begon het zowaar leuk te vinden. Begin van dit jaar heb ik zelfs een èchte Bianchi gekocht, de ‘Audi’ onder de racefietsen. En ik draai inmiddels zonder enige moeite zo’n 150 tot 200 kilometer per week. En als ik in het buitenland ben (Spanje, Amerika) huur ik steevast een goeie fiets. Om ook daar de nodige kilometers te maken. Bijkomend voordeel is dat je dan erg veel ziet! En in de winter pak ik m’n mountainbike. Lekker de bossen in. Of op het harde zandstrand van Scheveningen naar Wassenaar, van Noordwijk naar Zandvoort. Even terug naar m’n roots! Ik ben een duursporter, dat is wel duidelijk: hardlopen, schaatsen, wielrennen. Hoe langer, hoe beter, hoe gekker!

Ik hou van legendarische, iconische wielershirts. Het roemruchte PDM-shirt bijvoorbeeld, of dat mooie rose Giro d’Italie-shirt met de naam van de sportkrant Gazetta dello Sport op de voorkant. Veel mooier dan het Tour-geel of het Vuelta-rood! Ik heb ook het DAF Trucks/Cote d’Or-shirt. Een replica van het shirt dat Hennie Kuiper droeg, toen ik hem in 1980 interviewde. En deze week kreeg ik het haast legendarische Televizier/Batavus-shirt uit 1965 binnen. Het shirt van de eerste commerciele wielerploeg van ons land. Een Brabantse rebellenclub onder leiding van ploegleider Kees Pellenaars. Met renners als Jo de Roo, Piet van Est, Henk Nijdam, Evert Dolman en Gerben Karstens. De Tour de France schakelde in 1961 over van landenploegen naar commerciele ploegen. Televizier was een onafhankelijk blad, dat tegen de zin van de omroepverenigingen in alle programmagegevens publiceerde. Daarom weigerde de omroepen op radio en tv aandacht aan de profploeg te besteden. Toen de AVRO later het blad overnam en ook z’n actualiteitenrubriek Televizier noemde, kwam alles toch nog goed. Op zondag 14 juli zond de NPO in ‘Andere Tijden Sport’ een documentaire uit over de ploeg van Kees Pellenaars. Wellicht kun je die via Uitzending Gemist nog terugkijken. Het was voor mij reden om op zoek te gaan naar een replica van dat shirt. En die had ik vrij snel gevonden. Hebbes! (Voor de liefhebber: AliExpress, 12 euro!)

 

 

 

Dik 10 jaar geleden, in 2008, hadden Jan Hendrix (’n oude jeugdvriend) en ik een -naar later bleek- gouden idee: Classics Dance Night! Stappen zoals je vroeger in de 70’s en 80’s deed. Opnieuw met je vrienden van toen op stap, opnieuw met dat vriendinnetje van toen onder de spiegelbol op de verlichte dansvloer! Wij brachten het gevoel van *Saturday Night Fever* terug, met alle discohits uit de 70’s en 80’s. Hendrix had een bedrijf in licht en geluid, ik was met Jansen Media & Events handig in publiciteit, design, website en ticketing. Dat was een mooie combinatie. En we draaiden beiden als DJ! Want dat deden we vroeger in de 70’s en 80’s tenslotte ook.
  Classics Dance Night was een schot in de roos. Ik maakte een website, waar je meteen je tickets kon reserveren. En waar de ochtend na het event de party-pic’s al online stonden. Dat zorgde voor een geweldige band met onze achterban. Wat dat betreft waren we de tijd ver vooruit! We zochten in principe naar locaties waar je vroeger ook uitging: de Schouwburg in Cuyk, de Beurs in Sint-Oedenrode, Theater De Blauwe Kei in Veghel, De Pul Uden, Vivaldi Zalencentrum OssCC de Pas Heesch, het Palazzo in Grave, de Orangerie in Den Bosch, Grandcafe de Wildeman in Eindhoven, locaties in Oirschot, Moergestel, Rosmalen, Gemert, Someren, Geldrop, Malden, Groesbeek, Gennep, Oisterwijk, Overasselt, Boxmeer, Venray, Bergeijk, Helmond. En we maakten met de zaaleigenaren slechts één afspraak: ‘jullie de tap, wij de deur’. Natuurlijk hadden we laten uitrekenen dat die inkomsten ongeveer parallel liepen. Los van het feit, dat we daar allebei met enorm veel lol aan het draaien gingen, was het ook zakelijk jarenlang een groot succes. We waren één van de eersten die zo’n event durfde neer te zetten. De meeste avonden waren al snel uitverkocht. We deden er in elke plaats twee: één in het voorjaar en één in het najaar.

Maar zoals met veel initiatieven destijds: #ClassicsDanceNight stierf een langzame, haast voorspelbare, dood. Bezoekers werden ouder en gingen niet meer zoveel uit. En er kwamen her en der meer soortgelijke feesten. De crisis in 2011 zal ook wel een rol gespeeld hebben. In 2012 hebben we voor het laatst een Classics Dance Night gedraaid. Vier jaar lang geweldige avonden gehad met pieken in het voor- en najaar. Ik had het voor geen goud willen missen!

Het jaar 2017 zal mijn boeken in gaan als het jaar waarin ik 65 jaar werd. Tuurlijk, da’s een mijlpaal. Je krijgt pensioenuitkering, je ontvangt AOW; da’s allemaal heel plezierig, want je hoeft er niets voor te doen. Maar met pensioen gaan? Nee joh! Ik blijf gewoon lekker werken. Dat heb ik het afgelopen jaar gedaan en dat blijf ik ook in 2018 doen. Achter de geraniums zitten is niets voor mij. Ik moet wel eerlijk toegeven dat het niet onplezierig voelt dat met die uitkeringen de druk er een beetje vanaf is.

Hawaii 2017

Hawaii 2017: Pipeline Beach

2017 was een fijn jaar. Privé en zakelijk. Jansen Media & Events behaalde prima jaarcijfers: de beste sinds 2010! Ik behoor gelukkig tot de categorie ZZP’ers met zoveel werk als ik zelf wil, en dat is prettig. Het stelt je in staat wat gemakkelijker je eigen tijd in te delen en ook andere dingen te doen. Genieten van mijn kleinzoon bijvoorbeeld, hij is mijn beste vriend ever! Genieten van familie, vrienden en vriendinnen, van popconcerten en dancefestivals, van gezellig drinken en eten in de heerlijke Eindhovense binnenstad. En mooie reizen te maken: van Ibiza tot Hawaii, van Flachau tot Guardamar en Malaga, ook in het nieuwe jaar staat er al weer van alles op de rol. Met carnaval naar Guardamar, in april naar New York en Philadelphia, van de zomer natuurlijk naar Ibiza en in oktober wil ik ook weer een mooie reis maken. Bali? Australie? Weer Miami? Of toch San Francisco? Ik twijfel nog waarheen. Bovendien heb ik halverwege 2017 het roer drastisch omgegooid qua voeding en sporten. Door toenemende artrose in mijn rechterknie is hardlopen helaas al weer even verleden tijd. Door een meer uitgebalanceerde voeding en frequente bezoeken aan de sportschool (een combinatie van cardio en krachttraining) ben ik het laatste half jaar toch maar mooi even 10 kilo afgevallen! En ik voel mij daar bijzonder goed bij.

M'n beste vriend ever!

Beste vriend ever!

Mijn motto voor 2018 staat voorop: gezond blijven en blijven genieten van fijne mensen en het leven. Lermoos, Guardamar, New York, Philadelphia, Ibiza: ook in 2018 ga ik weer wat meer van de wereld zien. Ook zal ik in het voorjaar mijn eerste boek afronden: de Top 40 van 040. Het is niet ondenkbaar dat daar nog meer uit voort vloeit. Er zijn wat ideeen over het schrijven van andere boeken. In 2018 zal blijken of die plannen straks ook heel concreet gaan worden! Maak er allemaal in het nieuwe jaar wat moois van. Dat probeer ik ook te doen!